Diaconale overwegingen bij Goede Vrijdag en Pasen.

Meditatie

Lezen: Lucas 7: 11-17 en Johannes 19: 25-27.

In het eerste Bijbelgedeelte lezen over de geschiedenis van de jongeling van Naïn. Jezus is met zijn leerlingen en een grote menigte onderweg naar Naïn. Als ze de stad naderen komt deze stoet een stoet tegen van rouwende en verdrietige mensen. Een weduwe moest haar overleden zoon gaan begraven. Nadat ze haar man heeft verloren moet zij nu ook haar zoon naar het graf brengen.
Het verlies van een man of partner is ontstellend, maar het verlies van een kind is helemaal niet voor te stellen.
Zelfs de Nederlandse taal is hier verlegen mee. Een man die zijn vrouw verliest is een weduwnaar, een vrouw die haar man verliest wordt een weduwe genoemd, kinderen die hun ouders verliezen zijn wees, maar voor ouders die hun kind naar het graf moeten brengen, heeft de Nederlandse taal geen woorden voor.
De rouwende stoet komt Jezus tegen. Jezus herkent het verdriet van de vrouw en is met medelijden bewogen. Hij komt naar haar toe en zegt dat zij niet hoeft te weeklagen. Daarna richt Hij zich tot de “dode” jongen en zegt ‘Jongeman, ik zeg je, sta op’. De jongeman richt zich op en spreekt tegen de mensen om hem heen.
Daarna staat er in vers 15b een halve, wat verborgen zin, ‘en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder’. Dit lijkt een wat overbodige of vanzelfsprekende zin. In eerste instantie tekent het Jezus macht over de dood, Hij wekt tot leven als een daad van God zelf. Hij moet hiervoor alle eer ontvangen.
Ten tweede maakt Hij van deze opwekking een praktische daad voor het leven van alledag. De moeder van de jongen had geen man meer, nu haar zoon is overleden was er geen man meer in huis. Vooral in die tijd was een man of zoon je inkomen, je pensioen en hij bood bescherming tegen mensen die het minder goed bedoelden met vrouwen. Door haar zoon terug te geven, geeft Jezus haar ook weer een bescherm- en menswaardig bestaan. De vrouw had weer een bestaan en was niet overgeleverd aan hen die het minder goed voor hadden met weduwen.
Toch opmerkelijk dat weduwen in die tijd vaak een niet beschermwaardig bestaan konden leiden. Mozes (de Thora) en de profeten zijn hier niet onduidelijk over. Zij riepen op om weduwen te beschermen en hen van het dagelijks voedsel te voorzien. Dit was het volk zelfs voorgeschreven. Hieruit blijkt ook dat het met een volk of natie niet goed gaat als zij de rechten van weduwen en wezen beschamen en niet voor hen opkomen.
Later heeft Jezus opnieuw oog voor een weduwe. Dat lezen we in Johannes 19. Maria, Zijn moeder, staat met nog een aantal vrouwen bij het kruis. Jezus zegt tijdens Zijn zware lijden tegen Zijn moeder over Johannes ‘Dat is uw zoon’ en vervolgens tegen Johannes, de discipel die Hij lief had: ‘Dat is je moeder’. Zo had hij aan het kruis nog zorg voor Zijn moeder om haar zo ook te beschermen tegen het volk dat Mozes en de profeten niet meer kenden of hun woorden niet meer in praktijk brachten.
Beide geschiedenissen lopen vooruit op Zijn opstanding waarin ieder mens nieuw leven en een nieuw perspectief krijgt aangeboden.

Wim van Ree, diaconaal consulent.